Categorie├źn
Belastingrecht

Inspecteur handelde voortvarend genoeg


De fiscus mag u niet te lang in onzekerheid laten over de belasting die u moet betalen. Over die eis van voortvarendheid is onlangs een interessante uitspraak van Hof Amsterdam gepubliceerd (ECLI:NL:GHAMS:2017:5349).

Rechtbank vernietigde aanslagen

De belastingdienst heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Dat gebeurde na een onderzoek door de FIOD. Belanghebbende had een buitenlandse rekening verzwegen. Maar de rechtbank vernietigde die aanslagen. Op grond van jurisprudentie is de fiscus gehouden om voortvarend te handelen nadat informatie is ontvangen over buitenlandse bankrekeningen. Dat is volgens de rechtbank niet gebeurd omdat tussen 6 november 2001 en 29 november 2002, dus langer dan een jaar, de inspecteur niets deed.

Tegen dat oordeel van de rechtbank richt zich dit hoger beroep.

Vragen? Bel 06-27129900

OM was bezig met strafrechtelijk onderzoek

De inspecteur stelt dat in genoemde periode wel degelijk handelingen zijn verricht. Het onderzoek door de FIOD werd afgerond in december 2001. Daarna is er gecorrespondeerd tussen het Openbaar Ministerie (OM) en de adviseur van belanghebbende. Uiteindelijk rondde het OM het onderzoek af en zag het af van een strafrechtelijke aanpak. Het dossier ging terug naar de inspecteur, die verder ging met het heffingsonderzoek. Is het daarom niet begrijpelijk dat de fiscus een jaar lang niks heeft gedaan? De inspecteur vindt van wel.

Hof vindt dat vertraging begrijpelijk was

Het Hof geeft de inspecteur gelijk. Er is geen onverklaarbare vertraging opgetreden. In het bijzonder omdat in die periode werkzaamheden met het oog op een strafrechtelijke aanpak zijn verricht. Om redenen van doelmatigheid en voorkoming van een onwenselijke samenloop van bevoegdheidsuitoefening is het begrijpelijk dat niet parallel aan het strafrechtelijk onderzoek het heffingsonderzoek is voortgezet. Daaraan doet niet af dat er in een periode van meer dan zes maanden in het kader van de heffing geen contact is geweest tussen belanghebbende en de inspecteur.

De boetes, die al waren verlaagd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, acht het Hof eveneens terecht. De raadsheren vernietigen daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaren het hoger beroep ongegrond.