Categorieën
Arbeidsrecht

Arbeidscontract of toch niet? (Arbeidsrecht)

Hoge Raad

Kleine revolutie in het arbeidsrecht? De maatstaf voor de beoordeling of een arbeidsrelatie een arbeidsovereenkomst is, moet worden aangepast. Dat bepleit advocaat-generaal De Bock.

Straks door de papieren werkelijkheid heen kijken?

Uitzendkracht

Een vrouw werkte met behoud van uitkering voor de gemeente Amsterdam. Dat deed ze tweemaal zes maanden op basis van een participatietraject. Zij stelde dat zij hetzelfde werk verrichtte als uitzendkrachten. Daarom was er volgens haar sprake van een arbeidsovereenkomst en zou ze toch recht hebben op loon, wat ze echter niet kreeg. De kantonrechter wees de eis van de vrouw af. Ook in hoger beroep ving zij bot. Het oordeel was dat zij niet werkzaam was geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. De vrouw ging in cassatie bij de Hoge Raad.

Vragen? Bel 06-27129900

Advies van A-G

De advocaat-generaal geeft dan eerst een soort advies aan de Hoge Raad. Die schrijft in haar conclusie (zoals dat wordt genoemd): de partijbedoeling zou niet meer relevant moeten zijn maar uitsluitend hoe partijen feitelijk uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven. Dat is nieuw.

Maatstaf

De Bock gaat in op de vraag hoe beoordeeld moet worden of een arbeidsrelatie moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Dat is van belang voor de vraag of iemand arbeidsrechtelijke bescherming heeft, maar het heeft ook fiscale gevolgen en consequenties voor de sociale verzekeringen. Al meer dan twintig jaar is de maatstaf dat wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond (de partijbedoeling), waarbij ook van belang is de wijze waarop partijen feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven. 

Lees ook: Bezorger niet in loondienst bij Deliveroo

Herijking

De advocaat-generaal pleit voor een herijking van deze maatstaf, afkomstig uit het arrest Groen/Schoevers uit 1997. De bedoeling zou niet meer relevant moeten zijn maar uitsluitend hoe partijen feitelijk uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven. Dat draagt bij aan de beschermende werking van het arbeidsrecht. De Bock vindt dat ook een participatieplaats kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst als geen sprake is van ‘additionele werkzaamheden’. Het gerechtshof heeft niet onderzocht of de vrouw hetzelfde werk verrichtte als uitzendkrachten. Als dat juist zou zijn, is geen sprake van ‘additionele werkzaamheden’ en daarmee mogelijk van een arbeidsovereenkomst. Daarom vindt De Bock dat het arrest niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen. Een ander Hof moet nog eens goed kijken.

Gevolg

De Hoge Raad moet nog uitspraak doen. Het is dus de vraag of deze redenering wordt gevolgd. Het zou een verandering zijn die voor de praktijk waarschijnlijk belangrijk is. Er komt dan meer oog voor de economische realiteit, zodat door de ‘papieren werkelijkheid’ heen wordt geprikt. Het wordt dus nog spannend.

Bron: ECLI:NL:PHR:2020:698